15 augustus
Voordracht Indisch Monument 15 augustus 2006
door Adriaan van Dis
Indië. De naam valt steeds vaker als ik mijn 96-jarige moeder bezoek.
Laatst wachtte ze me op met een oud fotoalbum op haar knieën en toonde
mij sepiakleurige foto’s van een jonge vrouw in een witte jurk tussen
bruine militairen. Daar stond ze, midden in de rimboe van
Zuidwest-Sumatra, omringd door koeboes met botjes door hun neus, of aan
boord van een radarboot. (De hekwieler Johanna II… voor het eerst van
mijn leven hoorde ik het woord ‘hekwieler’.) Ik had die foto’s nooit
eerder gezien. ‘Meen je dat nou?’ vroeg ze verbaasd. Mijn moeder - zeer
helder van geest - heeft zo haar eigen verhalen en zíj bepaalt tot welke
ik word toegelaten. En wanneer. Nog altijd hoor ik nieuwe kampverhalen.
Zoals de anekdote over een vriendin die haar bijbel
vel voor vel als vloeipapier uitventte. Toen de vrede werd bekend
gemaakt, was ze net aan de laatste Openbaring van Johannes toe - de
oorlog had voor haar niet veel langer moeten duren. Bij het vorige
bezoek hoorde ik over de verstikkende liefde van een Japanse
kampcommandant voor een vrouwelijke gevangene. Ik vraag er niet naar.
Meestal worden die verhalen ingegeven door een gebeurtenis in het heden.
Toen het land laatst op z’n kop stond omdat sommige asielzoekers bij
aankomst in Nederland een nieuwe naam of land van herkomst verzinnen,
haalde ze herinneringen op aan hoe je in de oorlog je leven, en vooral
het leven van je kinderen, soms met een leugentje moest redden.
Zo langzamerhand heb ik heel wat verhalen over
Indië in mijn hoofd. Iedereen die daar vandaan komt heeft zijn eigen
geschiedenis. En ik mag hier vandaag de mijne vertellen. Gedetailleerd,
persoonlijk. Niet om afstand te scheppen, maar om herkenning aan te
wakkeren, om de herinnering aan die oorlog levend te houden.
Ik ben niet in Indië geboren. Wel gemaakt. Maar dat
telt niet. Ik ben in 1946 naar Holland gerepatrieerd, in de buik van
mijn moeder. Telt nog minder. Ik heb de oorlog niet mee gemaakt. Niet in
een kamp gezeten. Toch hoor ik bij Indië. Bij het Indië van mijn ouders
en halfzussen – die ik altijd zussen heb genoemd. Mijn moeder woonde er
bijna twintig jaar. Haar eerste man die ze op de Koninklijke Militaire
Academie in Breda ontmoette, kwam uit een Hollands-Javaans-Menadonese
familie. Hij werd in de oorlog door de Japanse bezetter onthoofd. (Hoort
u hoe netjes ik ‘Japanse bezetter’ zeg? Thuis hebben we het natuurlijk
gewoon over de Jap.)
Mijn drie bruine zussen zaten samen met hun moeder
drie en half jaar in het kamp. De man die later mijn vader zou worden,
woonde de eerste dertig jaar van zijn leven in Indië. Ook hij diende bij
het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. KNIL – ik kan het alleen maar
met zíjn accent uitspreken. Hij zat als krijgsgevangene in vele kampen.
Overleefde met een paar honderd man de torpedering van de Junyo Maru,
waarbij meer dan 5600 mannen verdronken – militairen, maar vooral veel
romusha’s - Javaanse dwangarbeiders.
Het vergaan van de Junyo Maru is nog steeds de
grootste scheepsramp in de wereldgeschiedenis. Mijn vader werkte aan de
dodenspoorlijn Pakan Baru, in midden Sumatra. Toen hij zich na de
bevrijding in een evacuatiekamp in Palembang bij mijn moeder aandiende,
stelde hij voor haar nog als vermist genoteerde man op te sporen. Het
was geloof ik niet echt de bedoeling dat zich uit die geste een kind zou
opdringen. Verkeerd gezocht zullen we maar zeggen. Maar ik was welkom.
En zo hoor ik óók bij de oorlog in Indië. Als vredeskind, het bewijs dat
de oorlog voorgoed voorbij was.
Maar was ie thuis voorbij?
We zongen de kampliedjes onder de afwas. ‘Heb je
wel gehoord, van de Jap die is gesmoord in een pot met bruine bonen.’ Ik
kon tellen in het Japans: itchi, ni, san, shi, go, rokku, shitschi,
hatshi, ku, ju. Maleise woorden als tampat (de benauwde slaapplaats in
het kamp) gedek (kampomheining) beri beri (hongeroedeem) hoorden tot de
rijsttafel woorden. Mijn eerste Engels was: backpay. En ook dat had een
Indisch accent, want het verwees naar het achterstallige salaris dat de
Nederlands-Indische regering schuldig was aan gouvernementsambtenaren en
KNIL-militairen.
Een regering die met het onafhankelijk worden van
Indonesië niet meer bestond en die haar verantwoordelijkheid in
schimmige commissies ontliep. De bloody limit, ja. Japans, Maleis,
Engels - wat de oorlog betrof kreeg ik een internationale opvoeding.
Mijn vader kon erg goed Jappen nadoen. En later Soekarno met een
bloempot op z’n hoofd. Maar hij dekte ook de tafel met een liniaal als
een kampcommandant. Sloot zich overdag op en lag in het donker te
tellen. Bang dat hij weer in woede zou uitbarsten. Een woede die niemand
begreep. Van een kampsyndroom hadden we toen nog niet gehoord. Mijn
vader was niet ziek. Over de oorlog zeurde je niet. Wij waren flink.
Zijn dood, elf jaar na de capitulatie van Japan,
was een verlossing.
En nu sta ik als man van bijna zestig over de
oorlog van mijn ouders en zussen te praten. Ik schreef er over. Behoor
tot de tweede generatie. De oorlog van mijn familie heeft ook mij
gevormd. Maar ik mag niet met hun oorlog aan de haal gaan. Hoe graag ik
daar als kind ook bij wilde horen - bij hun kleur, bij hun sterke
verhalen, bij het heldendom achteraf - het is hún oorlog. Zij hebben het
meegemaakt, 28.000 kilometer zuidoost-waarts. Wél mag ik hun oorlog
herdenken: hun honger, hun angsten, hun pijn. De schuldgevoelens van
mijn vader, omdat hij de torpedering overleefde en zijn kameraden niet.
Ik herdenk de vader van mijn zusjes en het verdriet dat hun door zijn
wrede en vroege dood is aangedaan.
Ik herdenk de helden over wie thuis is verteld. Ik
herdenk de wondere staaltjes vrouwenmoed. Ik herdenk hoe dun het laagje
beschaving van de meeste mensen is, ongeacht hun kleur of cultuur.
Ik sta op een dag als deze ook stil bij de
vernederingen van ná de oorlog. De rekening die mijn vader bij het
ontslag uit de militaire dienst gepresenteerd kreeg voor een verloren
uniform omdat hij na drie en halfjaar krijgsgevangenschap en maanden
zware dwangarbeid slechts met een schaamlap het kamp uit kwam. Ik
herdenk het gevecht van mijn moeder om haar eerste man te rehabiliteren,
een luitenant die buiten het kamp bleef en een verzetsgroep hielp
oprichten. Na de oorlog, in de verwarrende jaren van de Indonesische
onafhankelijkheidsstrijd, konden de Nederlandse autoriteiten maar
moeilijk geloven dat een bruine man die zo van zijn land hield toch voor
Koningin en Vaderland had gekozen. Zou hij niet als zoveel anderen met
de nationalisten hebben geheuld? De bewijzen van zijn moed kwamen toch
boven water. De medailles werden postuum alsnog toegekend. Maar voor
mijn moeder was na alle beledigingen de lol er af om ooit bij een
officiële staatsherdenking aan te schuiven.
Het zijn allemaal persoonlijke dingen, al besef ik
dat er vele families zijn die een veel aangrijpender verhaal kunnen
vertellen. Maar deze mensen hebben voor mij geen gezicht, even als de
meer dan 25.000 Nederlandse doden voor wie het bericht van de bevrijding
in Indië te laat kwam. Tot ik nazaten van zo’n dode ontmoet. Met hen
voel ik een heimelijke verwantschap, zoals ik dat met alle door oorlog
aangeraakte mensen voel. Daarom durf ik hier vandaag te staan. Zij het
met huiver.
Aan de ene kant wil ik stilstaan bij de lotgevallen
in Indië, aan de andere kant herken ik ook veel van dat verleden in het
heden. Nog steeds worden landen bezet, mensen achter prikkeldraad
opgesloten of uit hun land gejaagd. Toch wil ik de oorlog van toen niet
met hedendaags onrecht vergelijken. De neiging bestaat herdenkingen te
actualiseren. Bang als we zijn om niet modern over te komen. Vier van de
vijf Nederlanders is van ná de oorlog. Zestig procent van de schooljeugd
heeft geen grootouders die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt. We
willen de jeugd er bij halen. De toekomst van het herdenken
zekerstellen. Maar doe je dat door alle narigheid bij elkaar te vegen?
Alsof het niet erg genoeg is wat er toen is gebeurd.
Er is een groot verschil tussen herdenken en denken
aan. Toen ik eind jaren tachtig bij toeval in de oorlog van Mozambique
belandde en door dorpen trok waar de wreedste gruwelen hadden
plaatsgevonden - zoals het afsnijden van tweeënvijftig vrouwenborsten
die de rebellen in een kist gooiden met als opschrift ‘groeten aan de
president’ - werden de gruwelen door de bewoners verzwegen of zo
verdraaid dat het niet hén, maar een ander was overkomen, een dorp
verderop. Als ik die mensen sprak, moest ik aan mijn vader denken. Ook
hij verschool zich in andermans oorlog - die tegen de Duitsers - en
begon het eigen gruwelverhaal zo te verdraaien dat het leek alsof een
ander het had meegemaakt. Mogelijk schaamde hij zich voor de eigen
vernedering. Hij wilde vooral niet zielig zijn.
Zie ik op het journaal een kind uit een
gebombardeerd dorp wegrennen, hangend aan de rokken van zijn moeder, dan
denk ik: dat kind zal later het verhaal doorvertellen. Ook al zal de
moeder aanvankelijk haar leed verzwijgen. Uiteindelijk beheert de
volgende generatie de geschiedenis. Ik ben nu even dat kind aan de
rokken van zijn moeder. Maar ik herdenk niet de misčre in hedendaagse
opvangkampen. Niet vandaag. Daarvoor is het Indisch monument niet
opgericht.
Bij het herdenken hoort ook Het Geluk - het
verloren geluk van een jeugd in de tropen. De vreugde van het Indisch
zijn, aangeraakt door een natuur die je altijd in je mee blijft dragen.
Een verleden dat je een beetje vreemdeling in Holland laat voelen. Ik
ken dat verlangen uit de zondagse rijsttafelverhalen die opborrelden als
er ‘ooms’ en ‘tantes’ uit het kamp langs kwamen, ik ken het zuchten
boven fotoalbums. En ik herken het ook bij de nieuwkomers en de grote
stroom vreemdelingen die Europa thans overspoelt. Ik denk aan de
onvrijheid, oorlog, honger en armoe die zij ontvluchtten, maar ook aan
de moeite die sommige Nederlanders hebben om hun wijk of stad met al die
vreemdelingen te delen. Mensen die een ander geloof meebrengen,
minaretten oprichten en vreemde geurtjes uit hun keukens laten opdampen.
Hoe zouden de Javanen destijds hebben gekeken naar al die witte
Hollanders die hun eigen cultuur zo zelfverzekerd op andermans
grondgebied kwamen uitdragen? Hollanders die kerken bouwden. Een soos.
En die net deden of ze op die verre eilanden thuishoorden. Ja, er zijn
overeenkomsten tussen kolonialen en migranten.
Mijn Indische achtergrond is bepalend voor mijn
betrokkenheid met deze tijd.
Maar vandaag wil ik vooral herdenken wat er toen is
gebeurd. In de Indische Archipel. Aan de spoorweg in Thailand en Birma.
In Japanse oorlogswerkplaatsen waar Nederlandse krijgsgevangenen te werk
werden gesteld. In Hiroshima en Nagasaki, waar alles vernietigende
atoombommen vielen die gevangenen elders bevrijdden. De bom waaraan mijn
familie het leven meent te danken. Laat het verleden tot de verbeelding
spreken. Door te luisteren naar die persoonlijke geschiedenissen,
begrijpen we wat vernedering met mensen doet – en daarmee begrijpen we
hopelijk ook de vernederde mensen in het heden. De Indische verhalen die
ons vandaag samenbrengen, zijn het waard steeds weer verteld te worden.
Aan de buitenstaanders, de nieuwkomers, onze kindskinderen, van
generatie op generatie. Opdat men weet wat het is om met een oorlog en
een verloren land in het hoofd rond te lopen.
(Gesproken woord geldt)
Bron:
http://www.indieherdenking.nl/cms/publish/content/showpage.asp?pageid=70