Adriaan van Dis
 
 

 

 

 

 

 

 


 

Indische Duinen

Inhoud

Nathan, de ik-figuur, heeft zijn jeugd doorgebracht aan de Nederlandse kust, waar hij vlak na de Tweede Wereldoorlog is geboren. Samen met zijn ouders en de drie bruine halfzusjes Jana, Ada en Saskia woonde hij daar in een voormalig Duits koloniehuis dat hen -en drie andere Indische gezinnen- na de repatriŽring uit Nederlands-IndiŽ was toegewezen.

Aan de kust ging het gezin zware tijden tegemoet. De vader die met een zwak hart uit de oorlog was gekomen, kon in Nederland geen werk verrichten. Om de zeeŽn van vrije tijd nuttig te besteden, richtte hij zijn aandacht volledig op de opvoeding van zijn enige zoon. Zo leerde hij Nathan bereids op jonge leeftijd lezen en schrijven. Verder trainde hij zijn spieren ťn hij bereidde zijn zoon zowel mentaal als fysiek voor op een toekomst waarin vluchten centraal zou kunnen staan. Alles met harde hand en de nodige tikken.

Al die krachtinspanningen hadden een ongunstige invloed op de gezondheid van de vader. Hij belandde in het ziekenhuis en kreeg een nieuwe hartklep. Na de ingreep knapte hij weer wat op, maar korte tijd later maakte de A-griep toch een einde aan zijn leven.

Voor de elfjarige Nathan betekende de dood van de vader een ingrijpende verandering in zijn leven. Voortaan nooit meer slaag, maar ook geen voorbeeldfiguur meer aan wie hij zich op oudere leeftijd zou kunnen spiegelen. Nathan probeerde zijn vader uit zijn geheugen te bannen, maar aan het sterfbed van zijn halfzuster Ada wordt hij weer met hem geconfronteerd.

Als Ada sterft, is Nathan 46 jaar. Hij is schrijver geworden en heeft een lat-relatie met een literair agente die de gehele wereld rondreist. Het ontroostbare verdriet van Aram, de veertienjarige zoon van Ada, brengt bij Nathan herinneringen aan zijn eigen jeugd naar boven. Hij denkt terug aan de laatste uren van zijn vader die in een ziekenhuis stierf. Zijn moeder achtte het destijds beter dat Nathan geen afscheid van hem nam. Ook naar de begrafenis mocht Nathan niet mee. Wel moest hij in het dorp mondeling gaan rondbrieven dat zijn vader was gestorven, omdat zijn moeder -die niet met zijn vader was getrouwd- geen rouwkaarten kon versturen.

Door de dood van Ada denkt Nathan niet alleen terug aan zijn eigen jeugd. Omdat hij de taak op zich heeft genomen de rouwkaarten te versturen, wordt hij ook geconfronteerd met Ada's kinderjaren in Nederlands-IndiŽ. In haar kasten die Nathan op zoek naar een adresboekje afstruint, ontdekt hij namelijk een paar oude schriften, waarin Ada allerlei herinneringen aan haar periode in de Jappenkampen op Sumatra heeft vastgelegd. Het verbaast Nathan dat zijn zus in haar jonge jaren zo een fervent dagboekschrijfster was. In zijn ogen was deze nuchtere vrouw altijd "wars van emoties en modieus gedoe" geweest (p. 44). Vooral de laatste jaren leidde ze een uiterst sober bestaan. Ze had geen vrienden meer, was afkerig van aardse bezittingen en dweepte met de antroposofie. Onder invloed van deze wijsgerige wereldbeschouwing zag Ada de ernst haar terminale ziekte niet echt in.

De nieuwe informatie over zijn zuster verwerkt Nathan niet in zijn toespraak. Hij vindt het ongepast zich nu tegen Ada te verzetten. Zij was immers de enige van het gezin die hem vroeger in zijn strijd tegen zijn vader terzijde stond. Bovendien maakte Ada hem met de kunst vertrouwd. Nathan overstelpt het publiek, dat in groten getale naar de aula is gekomen, dan ook uitsluitend met lofuitingen over Ada, al kan hij het niet laten ook te verklappen dat zijn halfzuster Jana, die naar Canada is geŽmigreerd, eveneens op sterven ligt.

Na afloop van de bijeenkomst moet zowel Nathan als de rest van de familie veel condolťances in ontvangst nemen. De betuigde deelneming van een zekere tante Nikki die in de oorlog ook in een Jappenkamp heeft gezeten, werkt Nathan een beetje op de zenuwen. Ze zegt namelijk dat hij Jana zo spoedig mogelijk moet bezoeken. Jana is de aangewezen persoon die hem veel over zijn vader kan vertellen. Tevens drukt tante Nikki Nathan op het hart ook eens aan de vele goede kanten van zijn vader te denken: "Ze zitten ook in jou, als je alles in hem haat, haat je ook jezelf" (p. 63).

Na de plechtigheid trekt iedereen zich in zijn eigen verdriet terug. Troosten helpt niet meer en na een aanvaring met zijn moeder trekt Nathan thuis kwaad de telefoonstekker uit de contactdoos. Hij heeft schoon genoeg van zijn familie. Alleen voor Aram heeft Nathan een zwak. Die jongen zou hij wel eens graag verwennen en hij overweegt zelfs om zijn neefje bij zich in huis te nemen.

Door Aram denkt Nathan wederom aan zijn vader en opeens wordt het hem duidelijk dat hij niet om Ada rouwt maar om zijn vader: "Ik dacht dat ik hem goed in bedwang had, vastgestampt onder zoden van cynisme, en nu piepte hij plotseling uit zijn graf. Jaren was mijn haat een houvast, alles wat ik deed of naliet kwam voort uit verzet tegen mijn vader. Hij beroepsmilitair, ik lakte mijn nagels om aan de dienst te ontsnappen. Hij een man van de klok, ik zonder en als het even kon te laat. Kracht, spieren, zweet, hoe zwak hij zelf ook was, hij spelde de sportpagina's; ik moest al kotsen bij het zien van een voetbalschoen. Mijn haat was een bron van energie" (p. 72-73).

Ondanks deze gevoelens van afkeer is het Nathan in de loop der jaren toch duidelijk geworden dat hij meer op zijn vader lijkt dan hem lief is: "Ook ik kon niet met geld omgaan, ook in mij woelden drift en wellust, ik had zijn charme, zijn praatlust en zijn neiging tot overdrijven" (p. 73). Sinds Ada dood is, groeit er opeens begrip voor zijn vader. Dat maakt hem woedend, want hij wil de man die hem elf jaar lang heeft vernederd helemaal niet begrijpen. Om innerlijke rust te hervinden, zondert Nathan zich dagenlang af.

Als hij na een week de stekker weer in het stopcontact steekt, hangt zijn jongste halfzus Saskia meteen aan de lijn. Ze vertelt hem dat ze vanwege haar oorlogstrauma bij Centrum '45 in behandeling is. Nathan neemt haar niet serieus, omdat Saskia nog een peuter was toen ze in het kamp belandde. Tevens ergert hij zich eraan dat ze met de pijnlijke herinneringen van de andere gezinsleden aan de haal gaat. Toch stemt hij toe in een ontmoeting, omdat Saskia zegt dat ze hem nog iets over zijn vader wil vertellen.

In de duinen rond het koloniehuis vertelt Saskia hoe hun moeder in het begin van 1946 Nathans toekomstige vader heeft leren kennen. De moeder woonde destijds met haar drie dochters in de Europese wijk van Palembang. Samen met nog een paar families wachtte ze daar op de repatriŽring naar Nederland. Voor het grote gezamenlijke huis hingen vaak mannen rond. De meesten zagen er uit als zwervers, maar ťťn man stak er qua uiterlijk met kop en schouders bovenuit. De meisjes waren meteen weg van hem, temeer omdat hij net als hun eigen vader Justin heette. Ze wilden hem per se in hun gezin inlijven en speelden daarom voor postiljon d'amour tussen hem en hun moeder.

Aangezien Saskia in die tijd nog klein was, gelooft Nathan geen snars van het verhaal. Saskia bekent dat ze de feiten niet uit eerste hand heeft, maar van de overleden Ada. Ze overhandigt hem een brief die abusievelijk naar Ada's huisadres is gestuurd. Hij is afkomstig van een zekere Edmee die de jongste halfzuster van Nathans vader blijkt te zijn. In haar brief vraagt ze Nathan waarom hij in de overlijdensadvertentie niet de achternaam van zijn vader draagt. Door het hanteren van zijn moeders meisjesnaam verloochent hij volgens Edmee zijn afkomst. Ze vindt dat een verkeerde zaak, want zijn vader heeft hem wettelijk erkend en hij was altijd trots op zijn zoon. Ze drukt Nathan tevens op het hart dat hij zich nooit hoeft te schamen voor zijn afkomst, want de familie van vaders kant heeft zuiver bloed: "Uw vader was een hoogstaand man en een dapper militair. Een oud geslacht, gelieerd aan het gerenommeerde Leidse lakenhuis, al sinds 1827 in Batavia, en zuiver Arisch tot in het verste gelid. Uw grootmoeder Didier, mijn moeder, was een FranÁaise uit een adellijk geslacht. Wij zijn absoluut niet Indisch" (p. 93).

Nathan staat versteld van de inhoud van de brief en noemt Edmee een "engerd" (p. 93). In het theehuis waar hij en Saskia pannenkoeken gaan eten, vraagt hij haar of de meisjes met Justin wel een goede keuze hadden getroffen. Hij was immers een driftig man met behoorlijk losse handen die bovendien iedereen in zijn omgeving vernederde. Saskia ontkent dat hij sloeg. Justin zorgde juist goed voor het gezin. Als zij op haar beurt Nathan verwijt dat hij jaloers was, beaamt hij dat: "Mijn vader was van mij, hoe gemeen hij ook was. Jullie speelden hem tegen mij uit. Of je heulde met hem als hij zijn woede weer eens op mij koelde en dan voelde ik me in de steek gelaten, of jullie maakten hem achter mijn rug belachelijk en dan schaamde ik me. Wie op hem neerkeek, keek ook op mij neer. En mijn vader genoot van dat spel, we kronkelden onder zijn hand" (p. 96).

Thuis belt Nathan meteen zijn moeder op en vraagt haar wie Edmee is. Ze vertelt hem dat Edmee de dochter is uit het tweede huwelijk van zijn grootmoeder Odile Didier met advocaat Van Bennekom. Na de begrafenis van Nathans vader is het contact met zijn familieleden verwaterd, omdat zij het nogal hoog in de bol hadden. Ze keken neer op de moeder met haar drie bruine dochters en ze schaamden zich voor haar onwettige zoon.

Wederom heeft Nathan er moeite mee het verhaal te geloven: "Mijn moeder had de neiging de familiegeschiedenis telkens te herschrijven als er weer eens een weggemoffeld feit uit de vergetelheid naar boven borrelde. En het begon aardig te gisten" (p. 101). Toch vermoedt hij dat er wel degelijk een kern van waarheid in haar verhaal kan zitten. Zijn vader was inderdaad afkomstig uit een eigenaardig katholiek gezin. Hij was de oudste van de zes kinderen die reeds vroeg hun vader hadden verloren. Al op jeugdige leeftijd werd Justin het huis uitgestuurd en het contact met de rest van het gezin was sinds dat moment minimaal.

Door de brief van Edmee en de reactie van zijn moeder daarop denkt Nathan terug aan een voorval van ruim een jaar geleden. Vlak voordat zijn moeder vanwege een gezwel in het ziekenhuis belandde, overhandigde ze hem een envelop. Nathan moest haar plechtig beloven de omslag pas te openen als zij de operatie niet zou doorstaan. Hij hield zich echter niet aan zijn woord en peuterde de envelop meteen los. Er zat een notariŽle akte van 10 augustus 1957 in. De akte, die een maand voor zijn vaders overlijden was opgesteld, deed kond van het huwelijk van Nathans vader met Sophia Munting, met wie hij op 30 januari 1942 trouwde. Nadat hij een kleine vijf weken later met oorlogsbestemming vertrok, heeft hij zijn vrouw nooit meer teruggezien. Naar verluidt zijn er op 27 november 1942 in zijn afwezigheid twee kinderen geboren, van wie hij ontkende de vader te zijn.

Voor Nathan was destijds met name de geboorte van de tweeling een schok. Hij wist dat zijn vader voor de oorlog in IndiŽ was getrouwd en hij had zich in zijn jeugd altijd een broer gewenst. Maar toen hij "per uitgestelde post" (p. 106) eindelijk een vermoedelijke broer in zijn schoot geworpen kreeg, bracht de boodschap hem behoorlijk van zijn stuk. Tevens was hij boos op zijn moeder, omdat ze hem na al die jaren nog steeds als een kind behandelde. Toch deed hij indertijd niets met zijn gevoelens en liet de zaak berusten. Maar nu die tante Edmee is opgedoken, steekt bij Nathan ook die verontwaardiging weer de kop op. Hij kaart de tweeling daarom aan bij zijn moeder die zich eerst onwetend houdt. Wanneer ze beweert dat ze niet wist wat er in de envelop zat, trekt Nathan zijn moeders woord wederom in twijfel. Maar als ze een paar dagen later toegeeft dat de geboortedatum van de tweeling wel een getal is dat in hun familie past, houdt Nathan weer van zijn moeder.

Saskia, die al sinds Ada's ziekte telepathisch in contact staat met de Voyager astronaute Sheila, heeft van haar doorgekregen dat Jana binnen afzienbare tijd zal sterven. De moeder heeft haar koffers al gepakt, maar Nathan weigert mee te gaan. Hij heeft zijn oudste halfzus Jana sinds haar overhaaste vertrek naar Canada slechts twee keer teruggezien. Liever blijft hij in Nederland, om op Aram te letten.

Op een zondag neemt Nathan zijn neefje mee naar het strand. Als hij ziet wat voor plezier de jongen die dag heeft, overweegt Nathan opnieuw permanent voor Aram te gaan zorgen. Dat zou een oprechte uitdaging voor hem zijn, "een mooie wraak op vroeger (), een kind opvoeden en nooit slaan" (p. 124). Maar wederom komt Nathan spoedig op zijn besluit terug. Zijn vriendin zou nooit akkoord gaan en zelf is hij eigenlijk ook niet geschikt voor de opvoeding. Nathan meent namelijk dat hij de slechte eigenschappen van zijn vader heeft geŽrfd: "Mijn vriendelijkheid was een pose, ik kende de dwang achter mijn stem, de verzwegen vloeken, het zwart in mijn ogen en mijn ingehouden drift" (p. 124). Met weemoed denkt hij terug aan zijn hond Janus die hij regelmatig toesnauwde en sloeg als het beestje ongehoorzaam was. Als Nathan al niet eens voor een hond kon zorgen, wat moest er dan van een tiener als Aram terechtkomen?

Ook bij notarisdochter Els Groeneweg, de vroegere vriendin van Jana, verliest Nathan bijna zijn zelfbeheersing. Als zij tijdens zijn bezoek herinneringen aan vroeger ophaalt, kan hij aan het eind van het gesprek zijn drift maar met moeite onder controle houden. Eerst vertelt Els hem over het leven in IndiŽ tijdens de oorlog, vervolgens over haar vriendschap met Jana, de aanpassingsproblemen in Nederland en Jana's overhaaste vertrek naar Canada. Wanneer Els laat ontvallen dat Jana letterlijk het lievelingetje van Nathans vader was en er bovendien aan toevoegt dat hij soms best heel aardig en charmant kon zijn, wordt Nathan woedend. Hij noemt zijn vader "een schoft die zijn grenzen niet kende," "een smerige ploert" (p. 138). Hij balt zijn vuisten, maar houdt zich in: "Zo ben ik dus ook, dacht ik, zijn aard zit in mijn aard. Ik heb zijn bek en dezelfde duistere ogen. Ik voelde me te vies en te goor om nog langer in haar buurt te blijven. Weg moest ik en onmiddellijk, weg uit dat wit gekapoerde huis, geen sajoer, geen zoen, alleen een hoofse hand als groet. Mijn stille liefde mocht niet van mijn wellust schrikken" (p. 138).

De komende dagen is Nathan onrustig. Gevoelens van haat en razernij hebben hem uit balans gebracht. Telkens denkt hij terug aan zijn jeugdjaren. De herinneringen kwellen zijn ziel, maar hij kan zich er niet tegen verzetten. Het dagelijkse leven irriteert hem mateloos en hij wordt voortdurend gedwongen het verleden in te duiken.

Zo denkt Nathan bijvoorbeeld terug aan de keer dat hij met zijn vader naakt in zee zwom. Het was rond de jaarwisseling en zijn vader daagde hem uit op een cruciaal punt vanaf de bunker in het water te springen. Als Nathan niet sprong, zou hij zes uur moeten wachten. "Ben jij een papkind of een vechter?" riep hij (p. 144). Alleen om zijn vader te behagen, koos Nathan voor het laatste.

Een vechter, dat wilde Nathans vader van zijn enige zoon maken. Omdat hij zelf in ťn na de oorlog het nodige had meegemaakt, wilde hij zijn zoon hard maken opdat hij -als ooit de nood aan de man kwam- op het ergste zou zijn voorbereid. Over wat er in de oorlog precies was gebeurd, heeft de vader altijd weinig losgelaten. Hij vertelde alleen de grappige voorvallen, maar verzweeg het leed. Daarom heeft Nathan de oorlog van zijn vader zelf maar in kaart gebracht.

Toen Nathan jaren geleden een verhaal over zijn jeugdjaren aan zee schreef, ontving hij een brief van een lezer die hem op de torpedering van de Junyo Maru wees. De man nodigde hem destijds uit met hem te komen praten, maar van die invitatie heeft Nathan nooit gebruik gemaakt. Nu acht hij de tijd echter wel rijp om overlevenden van de Pakan Baroe-spoorlijn te bezoeken. Ook gaat hij praten met een meneer De J. die zijn vader nog persoonlijk heeft gekend. Aan de hand van deze verschillende verhalen en wat archiefonderzoek kan Nathan het transport van zijn vader naar Sumatra reconstrueren:

September 1944. Vanaf de kazerneplaats van het voormalige Tiende Infanteriebataljon in Batavia vertrok een stoet van honderden broodmagere krijgsgevangenen te voet naar het station. Onder hen bevond zich Justin, die tweeŽneenhalf jaar in een kamp had gezeten. Samen met -eveneens uitgemergelde- romusha's werden ze in een trein gestopt die hen naar Tandjoeng Priok, de haven van Batavia, bracht, waar de Junyo Maru op hen lag te wachten. Het was de bedoeling dat het schip hen naar Sumatra zou brengen, maar halverwege de overtocht werd het schip door een duikboot getorpedeerd. In een mum van tijd zonk de Junyo Maru naar de zeebodem. Vijfeneenhalfduizend mensen kwamen hierbij om; de ruim negenhonderd overlevenden -onder wie Justin- dobberden in het water rond. Pas dagen na de ramp pikte een escorteschip hen op. Samen met de andere opvarenden belandde Justin in de gevangenis van Padang. Binnen afzienbare tijd werden ze van hieruit naar het oerwoud gebracht, waar ze de Pakan Baroe-spoorlijn moesten aanleggen. Ook in de jungle ging Justin een zware tijd tegemoet. Zo hebben de Jappen hem en een paar kameraden twee dagen achter elkaar gemarteld. Justin gaf hierbij geen kik, ook niet toen ze hem een levende nagel uittrokken of toen hij een kwartier met gestrekte armen een volle emmer water boven zijn hoofd moest houden. En doordat Justin telkens als een fakir zijn emoties onder controle wist te houden, kregen de Jappen hem er destijds nooit onder.

De verhalen die Nathan over zijn vader hoort, verwarren hem enigszins: "Wat moest ik me bij een gemartelde vader voorstellen? Ik zag grimassen zonder pijn. Een vader zonder gevoel. Kon begrip haat verdringen? Ik durfde nog geen ruimte te maken voor de nieuwe feiten" (p. 175). Toch besluit Nathan de halfzuster van zijn vader te bezoeken in de hoop nog wat dichter bij zijn vader te komen.

Nathan vindt Edmee "een del" (p. 176). Ze zit onder de make-up en rouge, heeft "zwarte uilewimpers" en drinkt haar sherry aan een ruk door. Na een lange jeremiade begint Edmee eindelijk over het leven in IndiŽ en haar twaalf jaar oudere broer Justin te praten. Ze vertelt dat hun moeder Odile, een nazaat van gevluchte Franse adel, een temperamentvolle vrouw was die van het uitgaansleven hield. Wanneer ze 's avonds ging stappen, liet ze haar kinderen thuis bij de baboes achter. Ze danste met elke man, ook met haar zonen. Haar mooie dochters mochten in het bijzijn van vreemden nooit laten merken dat zij hun moeder was. Want daar schaamde Odile zich voor. Ze wilde zelf mooi en aantrekkelijk zijn, haar bijnaam "de Roos van Soerabaja" (p. 181) waardig. En de mannen vonden haar ook attractief, want Odile had verschillende minnaars. Die aanbidders hield ze voor de buitenwereld strikt geheim. Ook Odile's echtgenoot wist nergens wat van. Maar op een dag heeft zij hem tijdens een ruzie toch voor de voeten geworpen dat geen van de kinderen van hem was. Deze bekentenis vormde zo een klap voor Odile's man dat hij voor de ogen van de zes kinderen zelfmoord pleegde. Voor Odile was de dood van haar man een prima aanleiding om de kinderen in het weeshuis te stoppen. Zelf kreeg ze een zenuwinzinking, maar vond toch de nodige gemoedsrust om in Europa de erfenis te verbrassen. Op de terugreis ontmoette ze Edmee's vader met wie ze in Batavia meteen in het huwelijksbootje wilde stapte. De pastoor wilde echter alleen zijn zegen geven als Van Bennekom de kinderen uit het weeshuis haalde.

Bij een tweede bezoek aan Edmee -de eerste ontmoeting ontaardde in een fikse ruzie- mag Nathan van Edmee een paar oude brieven van zijn vader lezen. Ook laat ze hem een foto van Odile zien en een aparte afdruk van zijn vader in vrouwenkleren. Verder vertelt ze Nathan over Justins diensttijd. Als Edmee over het verlies van zijn haar wil beginnen, springt Nathan in want dit verhaal heeft hij bereids vele malen gehoord. Edmee luistert met open mond naar Nathans versie van "kepala botak" (p. 197) en concludeert dat Nathan niet alleen zijn vaders klank heeft geŽrfd, maar ook zijn mimiek, lach, oogopslag en handgebaren (p. 203-204).

De relatief goede sfeer van deze tweede ontmoeting verdwijnt als sneeuw voor de zon als Nathan opeens naar het lot van de tweeling vraagt. Als Edmee vertelt hoe de vork in de steel zit, ontploft Nathan bijna. Odile blijkt namelijk een vinger in de pap te hebben gehad. Zij vond een scheiding tussen Justin en Sophia Munting een schande, ook al was het haar bekend dat Munting Justin in de oorlog met een mohammedaan had bedrogen. Om te voorkomen dat de katholieke Justin een relatie met Nathans protestante moeder zou aangaan, gaf Odile haar man de opdracht de scheiding met Munting te verhinderen. Daarom werd Justin ook nooit op de hoogte gesteld van de dood van zijn eerste vrouw, die bereids een paar jaar na de bevrijding stierf. Nathan is des duivels: "Voor niets als bastaard door het leven gegaan, voor niets de valse schaamte van mijn moeder, het gegoochel met achternamen om de schijn voor het dorp op te houden, het kinderachtige gezeik met schoolrapporten en verkeers- en zwemdiploma's: Ja, hoe heet hij nou echt? Het moet wettig zijn, anders geldt het niet" (p. 208).

Na deze gewaarwording trekt Nathan er wederom met Aram op uit. Ditmaal bezoeken ze een headbangersball, waar de jongen zich flink uitleeft. Als Nathan hem na de logeerpartij thuisbrengt, overweegt hij voor de derde maal Aram bij zich op te nemen. Hij rijdt naar de duinen om daar in alle rust te kunnen nadenken. Wanneer hij er echter aankomt heeft hij meteen spijt van zijn komst: "Ik moest me juist losscheuren van wat achter me lag en bewijzen dat ik zelf een richting kon vinden. Weg van de zee die met wanhopig fatalisme aan en af bleef rollen. Het moest toch mogelijk zijn met het noodlot te breken. Het leven in eigen hand, besluiten nemen tegen de lijn der verwachtingen in. Een golfbreker wilde ik zijn" (p. 223).

Ondanks de negatieve gevoelens blijft Nathan toch in zijn geboortedorp, waar weer allerlei jeugdherinneringen naar boven komen. Zo denkt Nathan terug aan de paarden van de reddingsbrigade en aan de wezen die elke zomer vanuit de stad aan zee kwamen aansterken. Voor die ouderloze kinderen had Nathan altijd veel ontzag, omdat ze in zijn ogen hun eigen regels stelden. Ze spogen, spraken plat, droegen blauwe overalls met zwarte glimmende rubberlaarzen, stoeiden, boksten voor de schijn, vloekten, roken naar teerzeep en zongen uitdagende liedjes. Nathan droomde er destijds van zelf een wees te zijn. Dolgelukkig was hij toen hij een blauwe overall kreeg, maar de reactie van zijn vader op het eigenhandig afknippen van zijn krullen, zette een domper op de feestvreugde: "Wist je dat dieven in de middeleeuwen hun haar ook naar voren kamden? Om het brandmerk op hun voorhoofd te camoufleren. Dievenkop" (p. 231).

Nathans vader had een hekel aan de wezen. Hij verafschuwde hun liedjes en brutale blikken. Toch tuigde hij zijn zoon in het bijzijn van een groep wezen af. In blinde woede sloeg hij Nathan buiten westen, louter en alleen omdat hij ervan overtuigd was dat Nathan tijdens een felle westerstorm de staldeur open had laten staan. Een reddingspaard moest toen worden afgemaakt, omdat het die nacht door een wild dier in zijn bovenbeen was gebeten.

Korte tijd na de afranseling werd Nathan ziek. Een moeheid maakte zich van zijn lichaam meester en de doktoren stelden vast dat hij aan een vorm van polio leed. Hij belandde in het ziekenhuis, waar hij zich voor het eerst in zijn leven gelukkig en veilig voelde (p. 238). Iedereen was ook plotseling zo vriendelijk tegen hem. Vooral zijn vader leek een ander mens. Nathan kreeg stripboeken van hem en een Zwitsers zakmes. Zelfs toen hij na drie weken uit het ziekenhuis ontslagen werd, was zijn vader nog steeds "zacht en aardig" (p. 241). Maar eenmaal thuis, tijdens het uitvoeren van het oefenprogramma om Nathans zwakke spieren te trainen, toonde zijn vader weer geleidelijk zijn ware aard. Met de stok, waarmee gewoonlijk het tafelzeil werd opgerold, trainde hij Nathan met harde hand.

Op het moment dat het fysiek stukken beter ging met Nathan, nam de gezondheid van zijn vader zienderogen af. Hij belandde in het ziekenhuis, waar hij een nieuwe hartklep kreeg. Na de operatie ging hij naar de familie van Nathans moeder om aan te sterken. In de tussentijd verwaarloosde Nathan zijn training en tegen de tijd dat zijn vader opgeknapt huiswaarts keerde, trok Nathan weer met zijn linkerbeen: "Mijn vader was gezond en sterk, hij kon weer bevelen geven zonder te hijgen: Niet met je lepel zwaaien! Op je tenen en twintig rondjes om de tafel! De tijgerbalsem werd uit de medicijnkast gehaald en het pitjitten leverde boze ogen op: mijn linkerbeen was dunner dan het rechter. De liniaal kreeg een ereplek naast zijn bord, ik kreeg mijn eerste tik, de rijstestoom besloeg de ramen van de keuken en Ada speelde fluit in de badkamer. Alles was als vroeger" (p. 263).

Na terugkeer uit het geboortedorp reist Nathan toch met zijn moeder en Saskia af naar Canada, waar Jana op sterven ligt. Ze logeren in een motel, maar zijn overdag veel bij Jana. In haar huis verveelt Nathan zich mateloos: er worden namelijk uitsluitend oude herinneringen opgehaald, foto's bekeken en voordeelcouponnen geknipt. Liever zou hij met Jana onder vier ogen over zijn vader willen praten. Daarom stelt hij voor dat iedereen een dag met Jana alleen mag doorbrengen. Saskia is als eerste aan de beurt. Als Nathan met zijn moeder van een uitstapje naar New Brunswick in het motel terugkeert, hangt een huilende Jana aan de lijn. Ze heeft een knallende ruzie met Saskia gehad. Eerst heeft ze Jana de gehele dag over de oorlog doorgezaagd, vervolgens heeft ze alle familiefoto's verscheurd, Jana's man Errol in zijn gezicht gekrabd ťn tenslotte is ze zonder jas de sneeuw in gerend. Wanneer Nathan na lang zoeken Saskia in de sneeuwstorm vindt, is ze zo overstuur dat een dokter haar met een injectie moet kalmeren.

Nathans moeder wil stante pede huiswaarts keren. De avond voor de terugreis dineert ze nog met Nathan in het motel. Voor hem is dit het uitgelezen moment zijn moeder eindelijk eens te vragen waarom ze zich vroeger altijd terugtrok als zijn vader hem sloeg. De moeder vindt dat Nathan overdrijft; zijn vader had niet echt losse handen. Hij voedde Nathan voor zijn eigen bestwil met harde hand op. En ze verliet de kamer niet omdat ze bang voor hem was, maar om in een aangrenzende ruimte te gaan bidden dat hij weer kalm zou mogen worden. In haar hart vond ze Nathans vader namelijk "een goede minnaar," "heel teder en lief" (p. 294). Als Nathan vraagt of Jana hier ook zo over denkt, geeft zijn moeder hem een slag in zijn gezicht. Ze beŽindigt het gesprek door Nathan te verzekeren dat hij een gewenst kind was. Want zowel zij als Nathans vader "verlangden allebei naar een jongen" (p. 295).

De volgende dag krijgt Nathan toch nog de kans om Jana alleen te spreken. Hij vraagt haar waarom ze naar Canada is gevlucht en bedankt haar voor alle verhalen die ze hem vroeger heeft voorgelezen. Ter afscheid maakt hij een spuugkusje op haar voorhoofd. Als hij de kamer verlaat, zegt Jana dat Nathan op zijn vader lijkt: "'Je loopt precies zoals je vader. Voeten naar buiten, schommelend als een olifant.' En toen beet Ūk op mijn onderlip, ik bloosde, ook al bedoelde ze er niets naars mee, ik schaamde me, hoezeer mijn verstand zich ook tegen dat gevoel verzette. Mijn vader was mijn kornak, ik had hem van me afgeschud, maar Jana zette hem weer terug op mijn nek" (p. 299).

Korte tijd na het bezoek aan Canada ontvangt Nathans moeder het bericht dat Jana is overleden. Volgens schoonzoon Errol heeft het weinig zin nogmaals naar Canada te komen, maar de moeder wil per se afscheid van haar dochter nemen en haar eerste achterkleinkind begroeten. Eenmaal op de begrafenis realiseert de moeder zich dat ze niet alleen afscheid van Jana neemt, maar ook van de rest van haar Canadese familie die volstrekte vreemden voor haar zijn geworden. Voortaan wil ze zich uitsluitend op Aram gaan concentreren, haar lievelingskleinkind.

 

Bespreking

De roman Indische Duinen kent een typische cyclische opbouw. Het einde van het boek sluit namelijk perfect aan bij het begin. In het nawoord is de moeder per vliegtuig onderweg naar Nederland. Ze heeft zojuist haar oudste dochter Jana begraven en overdenkt in vogelvlucht haar eigen leven. Ze is inmiddels op leeftijd en veel van haar geliefden zijn haar ontvallen. De eeuwigheid lonkt, maar omwille van haar kleinzoon wil ze proberen het nog een paar jaar vol te houden. Als de gezagvoerder aankondigt dat het vliegtuig weldra de landing gaat inzetten, kijkt de moeder uit het raampje: "De moeder wilde de kust zien, ze schoof haar luikje op en keek omlaag. Ze zag alleen maar golven" (p. 313-314).

Met een soortgelijke passage opent Indische Duinen ook. In het voorwoord nadert de moeder Nederland per boot. Ze is in gezelschap van haar drie bruine dochtertjes en een kalende man die ze in Palembang heeft leren kennen. Bij zowel de meisjes als de moeder zijn de sporen van de Tweede Wereldoorlog duidelijk zichtbaar. Ondanks de slechte lichamelijke gesteldheid zijn haar dochters nieuwsgierig naar hun moederland: "De meisjes wilden de kust zien. Ze hoorden opgewonden stemmen op de gang en een luidspreker galmde over alle dekken: Nederland in zicht. (...) De kleinste mocht eerst, haar twee zusters tilden haar op. Ze drukte haar neus tegen het glas en zei: 'Alleen maar golven.' De ruit besloeg" (p. 5).

Tussen deze proloog en epiloog, die dus een kringstructuur vertonen, liggen zesenveertig jaar. Dat is tevens de leeftijd van de ik-figuur Nathan, die in de zes tussenliggende hoofdstukken de confrontatie aangaat met Justin, zijn overleden vader. Het tijdsverloop binnen deze zes hoofdstukken -die alle van een toepasselijke titel zijn voorzien- bedraagt overigens slechts enkele maanden, namelijk van Ada's ziekbed in september 1992 tot en met Jana's overlijden in de daarop volgende winter. Gedurende deze relatief korte periode blikt Nathan aan de hand van flashbacks meerdere malen terug op zowel zijn eigen leven als op dat van zijn vader.

Nathan heeft altijd een haat-liefdeverhouding met zijn vader gehad. Hij heeft zijn vader slechts elf jaar gekend, maar gedurende dat decennium heeft hij een onuitwisbare stempel op zijn leven gedrukt. Jarenlang ging Nathan namelijk gebukt onder de opvoeding van zijn vader die hem met harde hand heeft grootgebracht. Toen hij stierf probeerde Nathan zijn vader te vergeten, maar sinds Ada's dood wordt hij weer aan hem herinnerd.

Justin was een voormalige sergeant-majoor in het KNIL. Hij kwam uit een katholiek geslacht, dat al zes generaties lang in Nederlands-IndiŽ woonde (p. 30). Op zijn zestiende levensjaar ging Justin het leger in (p. 31, 198), maar zijn doel heeft hij nooit bereikt. Hij wilde namelijk dolgraag naar de Koninklijke Militaire Academie in Breda om officier te worden (p. 200), maar na veertien jaar trouwe dienst had hij het alleen maar tot sergeant-majoor geschopt (p. 199).

Toen de Japanners Nederlands-IndiŽ binnenvielen, werd Justin gevangen genomen. Na tweeŽneenhalf jaar kamp (p. 163) volgde de verscheping per overvolle Junyo Maru naar Sumatra (p. 163-168). Toen dit schip op 18 september 1944 werd getorpedeerd, behoorde Justin tot de weinige overlevenden (p. 160-161). Dagenlang dobberde hij op de Indische Oceaan rond (p. 154-157). Nadat een escorteschip hem uit zee had opgevist, kwam Justin met de andere opvarenden in de gevangenis van Padang terecht, waar het voedsel en de hygiŽnische omstandigheden te wensen overlieten (p. 168). Tijd om daar op adem te komen, kreeg Justin niet. Binnen een paar dagen volgde de deportatie naar de jungle, waar hij mee moest helpen bij de aanleg van de Pakan Baroe-spoorlijn (p. 161, 168).

Gedurende zijn gevangenschap mishandelden de Japanners Justin -en de andere gevangenen- regelmatig (p. 172-173). Om de vijand geen eer van zijn vuile handwerk te verschaffen, gaf Justin nooit een kik. Een lotgenoot vertelt over hem: "Justin speelde dat hij geen pijn had, ja, ja, dat moet het geweest zijn, hij concentreerde zich zo hevig dat hij uit zijn eigen lichaam stapte" (p. 173).

Na de oorlog kon Justin niet goed aarden in Nederland. Vanwege zijn slechte hart (p. 71-72, 140, 143, 147, 159-160, 173, 178, 246-264, 313) kon hij geen werk verrichten en zodoende had hij geld noch aanzien. Hij had alleen prat kunnen gaan op zijn oorlogservaringen, maar op begrip hoefde hij bij niemand te rekenen. In het gehavende Nederland, waar men met de wederopbouw bezig was, probeerde men juist die periode te vergeten (p. 146).

Bovendien werd Justin -net als de andere Indisch-gasten overigens- in het dorp niet meteen geaccepteerd. Ze vonden hem een vreemde eend in de bijt en het duurde dan ook heel lang alvorens men hem groette (p. 141). Naast buitensluiting van de sociale gemeenschap moest Justin ook verbale vernederingen ondergaan. Zo scholden een paar opgeschoten jongens hem en de drie meisjes eens op een kermis uit voor respectievelijk "ploppermoordenaar" en "blauwe" (p. 146). Ook de wezen uit de grote stad namen hem en het gezin regelmatig in de maling. Als ze richting het koloniehuis marcheerden, zongen ze steevast het provocerende lied: "Glorie, glorie. glorie. gloria en de meisjes van Batavia zijn zwart, pikzwart." Maar voor het huis zelf, hielden ze in en stampten ze alleen met hun rubberlaarzen (p. 229; zie ook: p. 234-236).

Justin ging erg gebukt onder deze minachting: "Het stak mijn vader dat hij geen status had, geen baan, geen trots verleden, alleen een bastaardzoon en een vrouw met drie bruine kinderen, door 's Rijks Repatriantendienst weggestopt in een genaast koloniehuis aan zee" (p. 146-147).

Door die neerbuigende houding jegens zijn afkomst en huidskleur kwam ook geleidelijk het verdrongen oorlogsleed weer naar boven. Onbewust voelde Justin zich schuldig dat hij de oorlog wel had overleefd en zijn vele kameraden -de vrienden die in zijn ogen de ware helden waren- niet (p. 148-150). Urenlang kon Justin dan ook op de divan of in zijn slaapkamer zijn gesneuvelde makkers hardop liggen tellen (p. 237, zie ook p. 152, 169-170, 173-174, 240 en 265). Op de momenten dat de telmanie de kop op stak, moesten de huisgenoten muisstil zijn (p. 170).

Van het gezin had vooral zoon Nathan onder het trauma van zijn vader te lijden. Justin sloeg Nathan namelijk met de regelmaat van de klok (p. 51, 84, 95, 96, 112, 138, 153, 174, 193, 196, 264, 292-293, 312). En onder dat slaan vielen niet alleen pedagogische tikjes, maar ook rake meppen. De afranseling naar aanleiding van de openstaande staldeur moge hier een voorbeeld van zijn. Voor de ogen van de wezen ranselde voormalige bokskampioen Justin (p. 90) Nathan als een gewillige boksbal af (p. 234-237).

Naast deze lichamelijke mishandeling kwam het ook vaak voor dat Justin Nathan geestelijk kastijdde. Zo schold Justin hem bijvoorbeeld uit voor "papkind" (p. 144) of "dievenkop" (p. 231, 233), woorden die Nathan als vernederend ervoer (zie ook: p. 73, 95, 153, 264-265, 302).

Toen Justin stierf, zag Nathan zijn dood als een bevrijding (p. 82). De schaarse keren dat zijn vader namelijk aardig tegen hem was geweest (p. 228, 238, 240, 241), wogen in zijn ogen niet op tegen het leed dat hij dagelijks had ondervonden. Nathan nam zich voor zijn vader te vergeten en voortaan zijn eigen leven te leiden. Maar met het verstrijken van de jaren kwam Nathan er achter dat hij zijn vader nooit geheel uit zijn geheugen heeft kunnen bannen. Op sommige momenten bespeurde hij namelijk zijn afwezigheid, zoals tijdens de keer dat hij zich voor het eerst moest scheren (p. 72).

De oorzaak dat Justin nog steeds deel van Nathans leven uitmaakt, zou gelegen kunnen zijn in het feit dat Nathan als kind nooit afscheid van zijn stervende vader heeft kunnen ťn mogen nemen (p. 18-19, 50-51). Hierdoor heeft Nathan zijn vaders dood nooit echt kunnen verwerken. Hij gelooft wel dat hij over zijn vader heen is (p. 123), maar jaren later blijkt dat het rouwproces nog steeds in volle gang is (p. 72).

De sterke gelijkenis tussen Nathan en Justin kan er mede een oorzaak van zijn dat Nathan regelmatig met zijn overleden vader wordt geconfronteerd. Nathan weet immers dat hij zowel innerlijk als uiterlijk op zijn vader lijkt. Hij heeft zijn aard (p. 138), zijn mond (p. 138) en zijn duistere ogen (p. 128, 138). Ook andere mensen, zoals tante Nikki (p. 62-63), Edmee (176-177, 190, 203-204) en Jana (p. 299), attenderen Nathan regelmatig op de overeenkomsten.

De gelijkenis met de man die hem elf jaar lang heeft vernederd, boezemt Nathan ook een zekere mate van angst in. Hij is bang dat hij uitsluitend de kwade eigenschappen van zijn vader heeft geŽrfd. Door die ongerustheid wil Nathan zelf ook pertinent geen kinderen op de wereld zetten. Hij acht zich onbekwaam om iemand op te voeden; zelfs voor zijn hond Janus ontbrak het hem aan innerlijke rust en doorzettingsvermogen (p. 124 e.v.).

Ondanks de slaag, vernederingen en angst (in zijn jeugd om zijn vaders onberekenbaarheid; later om het genetisch paspoort) heeft Nathan in zekere zin toch van zijn vader gehouden (p. 265-266). Dolgraag wilde de kleine Nathan de vriend (p. 237) zijn van de ziekelijke vader, die ondanks zijn zwakke gezondheid in Nathans ogen toch "de stoerste vader van het dorp" was (p. 159), omdat juist hij de sterkste verhalen kon vertellen (zie ook p. 205 en 250 e.v.). Als blijk van zijn genegenheid stuurde Nathan zijn vader na zijn dood "hemelbrieven" met een vlieger de lucht in (p. 123). En de vader hield op zijn eigen ingewikkelde manier ook van Nathan. Hij draaide zijn krullen tot "strakke vlechtjes" (p. 228) en trainde net zo lang met zijn halfverlamde zoon dat hij zijn spierkracht weer terug had (p. 237 e.v.).

Daarom gaat Nathan in de roman ook de confrontatie met zijn overleden vader aan. Door een duik in zijn eigen herinneringen te nemen ťn door gesprekken met derden te voeren probeert Nathan de vele sluimerende vragen van een antwoord te voorzien. Hij wil eindelijk de familieleugens ontrafelen en de waarheid onder ogen zien. Wie was zijn vader, uit welk milieu was hij afkomstig, hoe zag zijn jeugd eruit en wat heeft hij in de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Met andere woorden: heeft het verleden een stempel op Justins karakter gedrukt en hem gemaakt tot de vader die Nathan uiteindelijk heeft leren kennen?

Aan het eind van de roman heeft Nathan zich met zijn dode vader verzoend. Hij is niet langer bang voor diens opgeheven hand en strenge duistere ogen (p. 111, 118, 138, 157-158, 231, 234-235, 239). Het verleden boezemt hem voor het eerst geen angst meer in: "Ik had de woede van me af gewandeld, mijn drift tegen de wind in laten verwaaien. Ik kon rustig met mijn vader lopen, ontspannen, niet in het gelid. Geen kind meer, maar een man die niet bang was op zijn vader te lijken" (p. 270).

Naast Nathan en zijn vader komen er in Indische Duinen nog meer personages voor. De belangrijkste zijn wel Nathans moeder en zijn drie halfzussen Jana, Ada en Saskia.

Nathans moeder Lea (wier roepnaam in haar kindertijd Letje was, p. 61) is een kranige bejaarde vrouw. Ze heeft in haar leven al diverse tegenslagen meegemaakt, maar ze vond telkens de innerlijke kracht er weer bovenop te komen. Zo stierf haar moeder toen ze vier jaar was (p. 309-310). De zorg van haar babybroertje kwam op haar schouders te rusten (p. 310). Ze moest altijd als scheidsrechter optreden tussen haar broertje en haar vader, die in haar geboortedorp De Taaie werd genoemd (p. 11). Deze norse herenboer heeft het zijn zoon namelijk altijd kwalijk genomen dat zijn vrouw in het kinderbed is gestorven (p. 310). Ook Lea heeft hij het nooit vergeven dat ze op jonge leeftijd naar IndiŽ is vertrokken (p. 13-14).

In de gordel van Smaragd hoopte Lea aan de zijde van haar man Justin van Capellen, "eerste luitenant van het KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, zoon van een Hollandse planter en een inlandse vrouw" (p. 30), eindelijk haar geluk te vinden. Ze leerde Maleis en paste zich aan de heersende cultuur aan. De schoonfamilie was echter weinig gecharmeerd van een blanke Hollandse meid en sloot haar fijntjes buiten (p. 102).

Gedurende de Tweede Wereldoorlog belandde Lea samen met haar drie dochters in een Jappenkamp, waar haar gezondheid een flinke knauw opliep. Door ondervoeding kon ze haar eerste zoon dan ook niet levend ter wereld brengen (p. 296, 310). Over het lot van haar man, die destijds aan de kant van de Nederlanders tegen de Jappen vocht, verkeerde Lea lange tijd in onzekerheid (p. 13). Ruim een jaar na de oorlog vernam ze pas dat zijn verzet hem het leven had gekost (p. 76).

Een lange strijd met de overheid volgde. Het ministerie weigerde namelijk de achterstallige soldij en het pensioen aan haar uit te betalen, omdat zij niet geloofde dat een Indische jongen de kant van de Hollanders had gekozen (p. 76-77). Toen na vijf jaar eindelijk zijn rehabilitatie volgde, weigerde Lea pertinent de postuum aangereikte militaire onderscheiding te accepteren: "'Te laat,' schreef mijn moeder de minister terug, 'voorgoed te laat. Eerst heb ik me jaren voor mijn man moeten schamen en nou mag ik zijn heldendom kopen.' Voor zesendertig gulden en twintig cent kon ze de versierselen van de Militaire Willems-Orde toegestuurd krijgen. 'Prik maar op uw eigen borst'" (p. 77).

Kracht putte Lea al die jaren uit het bovennatuurlijke. In IndiŽ had ze geleerd dat er meer tussen hemel en aarde zat dan voor het blote oog waarneembaar was (p. 22, 273-274). Ze geloofde in reÔncarnatie (p. 31, 64-65, 67-68, 69, 99), kende waarde toe aan letters (p. 29) en getallen (p. 29, 110), trok regelmatig horoscopen (p. 22), speelde het tarotspel (p. 68) en gaf de voorkeur aan de natuurgeneeswijze boven de reguliere geneeskunst (p. 22, 69).

Van Lea's drie dochters hebben ook Ada (de middelste) en Saskia (de jongste) een zekere hang naar het alternatieve. Zo dweepte Ada met de antroposofie. Ze at uitsluitend "onbespoten groente" (p. 55) en reformartikelen. Haar "hang naar 'eerlijke' materialen" (p. 55) mondde uit in een "gezondheidsmanie" (p. 55). Toen ze ondanks haar vermeende gezonde levenswijze ziek werd, gaf ze dan ook de voorkeur aan homeopathische geneesmiddelen: "Ada slikte geen pijnstillers, ze wilde haar lichaam niet vervuilen. Geen chemotherapie, geen operatie, het ging om de kwaliteit van het leven. Alleen de natuur mocht haar helen: iscador-injecties, een maretak-elixer. Zoals de maretak een boom verstikt, zo moest dit elixer de kanker verstikken. Een symbolisch geneesmiddel van de antroposofen. Helaas, mijn zuster was geen boom" (p. 21).

Saskia daarentegen gelooft weer sterk in telepathische gaven. Sinds Ada's ziekbed staat zij in contact met Sheila, de astronaute van de verongelukte Voyager (p. 29, 113). Via Sheila krijgt Saskia verschillende malen een datum door, waarop Ada zou kunnen overlijden. Ook speelt medium Sheila aan Saskia berichten toe van zowel haar eigen vader als die van Nathan (p. 31-32).

Vreemd is het niet dat Lea's dochters openstaan voor alles wat met goena-goena te maken heeft. Zowel Jana (de oudste), Ada als Saskia zijn namelijk allemaal in Nederlands-IndiŽ geboren. Tot aan de oorlog genoten ze daar in de kolonie van een onbekommerde jeugd in de vrije natuur (p. 115, 276-278). De inval van de Japanners bracht hier verandering in. De meisjes belandden met hun moeder in een Jappenkamp en verloren hun vader uit het oog (p. 87-88). Ada, die over die kampperiode een soort dagboek heeft bijgehouden, schreef hierover: "Wij zaten in drie kampen op Sumatra, eerst huisarrest in Fort de Kock met vijf families, toen een tussenkamp, daarna die verschrikkelijke Boei in Padang, een gevangenis waar al duizend mannen zaten en toen ook nog eens drieŽntwintighonderd vrouwen en kinderen en later naar het barakkenkamp Bankinang in de binnenlanden, de getallen heb ik van tante Nikki. Ik weet alleen maar dat het naar pies stonk. Je deed er geen oog dicht van het gebulder van de zee, sommige moeders dachten dat het de schepen van de geallieerden waren die ons met hun kanonnen kwamen bevrijden" (p. 42).

Het leven in de vrouwenkampen was mensonterend. De ruimtes waren te klein voor de grote hoeveelheid vrouwen en kinderen (p. 39), het eten was slecht of ontoereikend (p. 40, 43, 77, 131, 132, 133), de medicamenten waren schaars (p. 43), de hygiŽne liet te wensen over (p. 39, 42, 131) en het lichamelijk werk was zwaar (p. 44).

Pas na drieŽneenhalf jaar (p. 15) zagen de meisjes en hun moeder de vrijheid tegemoet. De bevrijding van het Japanse juk betekende echter niet meteen veiligheid. "Fanatieke opstandelingen" (p. 88) wilden namelijk wraak nemen op de kolonialen die in hun ogen alleen maar uitbuiters waren geweest. De kolonialen werden daarom tijdelijk in een afgeschermde Europese wijk van Palembang ondergebracht. Japanners, "de oude vijand" (p. 88), en later de Britten zorgden voor de bewaking. Samen met nog tien andere families wachtten de meisjes en hun moeder in een groot huis op de verscheping naar Nederland (p. 85), waar ze eind april 1946 aankwamen (p. 7). Eenmaal in hun nieuwe moederland hadden de meisjes grote moeite zich aan te passen. Vooral voor Jana viel het zwaar weer in het gareel te lopen. In het kamp had ze als een volwassene voor kleine kinderen en zieke mensen gezorgd; in Nederland werd ze van de ene op de andere dag geacht weer kind te zijn (p. 135). Ze moest naar school, waar leeftijdgenoten haar pestten om haar huidskleur. Bij de leraren hoefde ze niet op steun te rekenen, want degenen die communistisch waren, hadden zelf een hekel aan de kinderen van "luie kolonialen" (p. 136). Jana kreeg dan ook last van erge heimwee (p. 115) en emigreerde op haar achttiende levensjaar naar Canada (p. 31, 116-118, 137, 297-298).

In de roman zijn bijrollen weggelegd voor Lea's eerste man Justin van Capellen, de ziekelijke Maarten, zijn puberale zoon Aram, begrafenisondernemer Ab Korst en consorten, kamptante Nikki, notarisdochter Els Groeneweg, Nathans naamloze en immer afwezige vriendin, zijn tante Edmee, grootmoeder Odile Didier en haar tweede man advocaat Van Bennekom, Jana's man Errol en zijn twee kinderen, Sophia Munting en de tweeling Roeliana en Roediono, de diverse oorlogsveteranen en het bleke meisje met de neusring.

 

Vragen

1) De ik-figuur wordt in de roman nergens aangesproken met zijn naam. Toch heet hij Nathan. Uit welke passage in Indische Duinen blijkt dat hij zo heet?

2) De zussen Jana, Ada en Saskia zijn in de novelle Nathan Sid voor het eerst geÔntroduceerd. Leg Indische Duinen naast Nathan Sid en vergelijk de karakters van de zussen. Welke overeenkomsten of verschillen zie je? Motiveer je antwoord.

3) De lezer neemt de roman voor het grootste gedeelte waar door de ogen van hoofdpersoon Nathan. Op twee plaatsen in het boek ligt het perspectief echter bij een ander personage. Noem de naam van dit personage en wijs die twee plaatsen aan. Geef tevens een verklaring voor het feit dat de schrijver juist voor deze technische ingreep heeft gekozen. Motiveer je antwoord met voorbeelden.

4) Op de achterflap van Indische Duinen staat onder meer: "De roman laat zien hoe een door de oorlog op drift geraakt gezin zich tot op de dag van vandaag handhaaft. De moeder vlucht in magie en wichelarij, een van de dochters beleeft haar kampervaringen in de klauwen van welzijnswerkend Nederland. Daarin schuilt ook de actuele kracht van het boek: in hoeverre lijden kinderen van oorlogsslachtoffers zelf aan de oorlog? Hoe overdraagbaar is de waanzin?"

Probeer deze twee vragen op een adequate manier te beantwoorden en onderbouw je antwoorden met voorbeelden uit het boek.

5) Van de drie meisjes was Jana de lieveling van Nathans vader. In de roman geven meerdere personages een mening over hun relatie. Ga aan de hand van al die verschillende opvattingen na hoe de band tussen Justin en Jana eruit zag.

6) In de roman staat het thema van de buitenstaander centraal. Hoofdpersoon Nathan voelt zich een buitenstaander, omdat hij het gemeenschappelijk verleden van het gezin niet deelt. Hij heeft de Tweede Wereldoorlog niet meegemaakt en is nooit in Nederlands-IndiŽ geweest. Hij is in Nederland geboren als onecht kind. En hij heeft een blanke huidskleur. Maar niet alleen Nathan acht zich een buitenstaander; ook andere personages in de roman kennen dit gevoel. Noem tenminste drie personages die zich op de een of andere manier ook buitengesloten voelen. Staaf je antwoord met voorbeelden uit het boek.

7) Wanneer Justin is overleden, moet Nathan in het dorp de mensen van zijn vaders verscheiden op de hoogte stellen. Telkens als de dorpsbewoners Nathan condoleren, moet hij huilen: "Ze gaven me de kans niet een man te zijn, ik wilde een vent zijn, een vent zonder tranen" (p. 49). Waarom is het voor de elfjarige Nathan zo belangrijk dat hij zich "een vent" toont? Verklaar je antwoord.