Adriaan van Dis
 
 

 

 

 

 

 

 


 

Een barbaar in China; Een reis door Centraal-Azië

Inhoud

In oktober 1986 vliegt Adriaan van Dis naar China, waar sinds 1 mei van dat jaar weer een deel van de zijderoute voor buitenlanders is opengesteld. Via Hongkong, Shanghai en Peking belandt hij in Xian, het eigenlijke beginpunt van zijn reis. In deze plaats wil hij een zijdeplantage bezoeken, maar het toeristenbureau werkt tegen. De medewerkers voeren allerlei absurde argumenten aan, om Van Dis ervan te weerhouden naar een kwekerij te gaan. Hij houdt echter voet bij stuk, omdat hij al sinds zijn jeugd met eigen ogen wil zien hoe rupsen uit moerbeiblaadjes zijde spinnen. Die droom gaat in vervulling als hij van een kapitalistische winkelier het adres van een plantage ver buiten de stad krijgt. Samen met de nicht van de winkelier gaat hij naar deze kwekerij toe, waar een stokoude man hen muisstil door zijn bedrijfje rondleidt.

Voordat Van Dis met de trein naar Lanzhou vertrekt, beklimt hij eerst de Grote Wilde Gans-pagode, de voormalige werkplek van de monnik Xuan Zang. De tocht die Van Dis door Centraal-Azië wil gaan maken heeft deze monnik bereids in de zevende eeuw volbracht. Aan de muur van de pagode hangt een kaart waarop de plaatsen staan die hij de komende dagen aan zal doen. Als hij het imposante gebouw verlaat, komt hij toevallig in een circus terecht en na de bizarre voorstelling belandt hij in een ondergrondse gokhal, waar Chinese nozems hem het hemd van het lijf vragen.

De aanblik van Lanzhou valt Van Dis tegen. Met uitzondering van de wijk waar de mohammedaanse Hui wonen vindt hij Lanzhou op het eerste gezicht een saaie stad met fantasieloze gebouwen en grauwgeklede inwoners. Hij verandert echter van mening als scholieren hem op een avondwandeling aanklampen. Ze nodigen hem uit Engels met hen te converseren, een verzoek waar hij in eerste instantie geen oren naar heeft. Maar in zijn hotel bedenkt hij zich, keert naar de plek waar de jongeren rondhangen terug en beleeft er een onvergetelijke avond.

Zeven uur zuidwestwaarts van Lanzhou staat het Tibetaanse Labrang-klooster. In gezelschap van een grieperige gids begeeft Van Dis zich via de Tao-vallei naar dit hooggelegen klooster, waar nieuwsgierige lama's hem vriendelijk ontvangen. Van Dis, die opgevoed is met een groot respect voor Tibetaanse boeddhisten, staat versteld van de primitieve leefwijze van de lama's. Ze gedragen zich kinderlijk, eten eenzijdige maaltijden en laten op prangende momenten hun ontlasting de vrije loop, omdat ze verstookt zijn van sanitaire voorzieningen.

Na twee overnachtingen in het vertrek van de Levende Boeddha begeeft Van Dis zich met de stoomlocomotief naar Jiuquan, een reis van eenentwintig uur door bergen en dalen. Hij bevindt zich in een gezelschap van drie vriendelijke Chinezen die in de gezamenlijke slaapcoupé naar hartelust hun maaltje koken. Van Dis heeft met de wagonbediende een tijdstip afgesproken waarop ze hem wakker moet maken, maar ze verzuimt hem op het juiste moment te wekken. Met een ruk staat de trein stil op het station van Jiayuguan, dertig minuten verder dan de plaats van bestemming. Halsoverkop graait hij zijn spullen bijeen en verlaat halfgekleed de locomotief. Tot overmaat van ramp krijgt hij zijn treinkaartje niet retour. Op het perron voeren stationbewaaksters een strenge controle uit. Zwartrijders geven ze er flink van langs en ook Van Dis krijgt een mep. Als hij met de echte zwartrijders in een hok belandt, springt een overzeese Chinese vrouw uit New York voor hem in de bres. Samen met deze Li Qin, op wie hij terstond verliefd is, pakt hij de bus naar Jiuquan, waar de bestelde gids reeds op hem wacht.

Met zijn drieën verkennen ze Jiuquan, dat Van Dis wederom een kleurloze stad vindt. Daarna rijden ze via de troosteloze woestijn naar Dunhuang. In deze bruisende oasestad bezoekt hij een vrijmarkt, beklimt met Li Qin de duinen en gaat met haar zwemmen in een steenkoud algenmeer. Ook de eeuwenoude Mogao-grotten, vijfentwintig kilometer buiten Dunhuang, staan op zijn programma. In dit bedevaartsoord bewondert hij de restanten van muurschilderingen die door de tand des tijds en diverse schenders zijn aangetast.

Na het bezoek aan de grotten scheiden zich de wegen van Li Qin en Van Dis. Samen met zijn gids gaat hij naar Liuyuan, van waaruit hij met de trein naar het Islamitische Turpan vertrekt. In dit schone en rustige woestijnstadje leert hij de blonde Hussein kennen die hem bij zich thuis uitnodigt. In het lemen huis wordt hij door de hele familie verwelkomd. Hij weet de hartelijke ontvangst te waarderen, maar de gastvrijheid gaat hem iets te ver als Husseins zus toenadering tot hem lijkt te zoeken: "Het is donker geworden. Hussein en zijn zuster lopen met mij mee terug. Eenden kwetteren in de karez. In de tuin van het hotel wil zijn zuster alles over huwen in Holland weten. Blonde haren, groene ogen, dikke billen. Nee zus, ga nu naar huis, ik kan je kisten niet tillen" (p. 75).

Vanaf het spooremplacement van Daheyon, een uur van Turpan vandaan, stapt Van Dis in de bus naar Kashgar. De eenogige chauffeur zal hem de komende dagen twaalfhonderdvijftig kilometer door de provincie Xinjiang voeren. In de gammele bus zit een gemêleerd gezelschap: de taallievende Japanner Minoroo, de korzelige Française Valérie, zes blonde Oeigoeren, een aantal gemigreerde Chinezen en een slapende oude vrouw die de schouder van Van Dis als hoofdsteun benut. Hij vergelijkt de tocht met "een uitstapje voor teringlijders" (p. 14), want de passagiers rochelen aan een stuk door en snuiten hun neus zonder zakdoek.

In een passagierskazerne, waar het busgezelschap overnacht, is de accommodatie slecht. Het stoort Van Dis echter weinig dat het beddengoed maar één maal per week wordt verschoond, want hij deelt voor het eerst zijn kamer met Chinezen. De slaapplaats blijkt te zijn uitgekozen door de chauffeur die er steekpenningen voor ontvangt. Ook op andere rust- en eetplaatsen strijkt hij het nodige smeergeld op. De volgende nacht slaapt Van Dis wederom niet alleen. Ditmaal deelt hij het vertrek met de Japanner en twee officieren van de lange militaire colonne die samen met de bus die dag een zandstorm heeft getrotseerd. De bus is zonder opzienbarende schade uit de dusty gekomen, maar de oude vrouw is na een oponthoud voor het traditionele middagdutje opeens weg.

Niemand kijkt op van haar verdwijning. Onderweg verlaten wel meer passagiers de bus. En andere reizigers nemen hun plaats weer in. Dat dit stuivertje-wisselen toch niet altijd vlekkeloos verloopt, blijkt als er Oeigoeren met een halve boom en levende have instappen. De Chinezen, die meestal gelaten zijn, gaan nu net zo lang te keer tegen de Oeigoeren dat zij in arren moede de kostbare boomstronk in de woestijn achterlaten.

In Kashgar gaan de reisgenoten ieder hun eigen weg. Na vijf dorre woestijndagen is Van Dis opgelucht eindelijk weer kleuren te zien. Hij gunt zich echter weinig tijd om van de sfeer in deze drukke Islamitische stad te genieten, want hij wil de pas over. De onbegaanbare bergweg en de sterke verhalen die hij hoort in de Coffee Oasis kunnen hem hier niet van weerhouden. Aangezien de bussen volgeboekt zijn en jeeps vanwege de explosies niet verhuurd worden, besluit hij per vrachtwagen naar Pirali te gaan. Tegen een geringe vergoeding krijgt hij een lift van Abdullah. Deze lispelende chauffeur met cowboyhoed blijkt een bijzonder portret te zijn. Hij is handtastelijk, drinkt stevig en rijdt als een bezetene. Onderweg schiet hij een paar marmotten dood die ze 's avonds bij de ronde nomadentent van de blonde Tadzjiek Uquali nuttigen.

Na de onstuimige tocht naar Tashkurgan besluit Van Dis in deze laatste stad van China in een hotel te overnachten. De volgende dag hervat Abdullah de reis naar de grenspost Pirali, waar Van Dis van een politieman te horen krijgt dat zijn visum verlopen is. Hij mag China niet uit, tenzij hij zijn visum in Kashar laat verlengen. Tot zijn geluk krijgt hij hulp van de oudere geoloog Heinz Silbermann die de politieman ervan overtuigt dat het visum nog een maand geldig is.

Samen met Silbermann vertrekt Van Dis per postjeep richting Pakistan. Ondanks zijn hulpvaardigheid werkt de geoloog hem al gauw op de zenuwen. Hij stoort zich aan Silbermanns commandotoon, zijn onstuitbare woordenstroom, racistische uitlatingen en panische angst tijdens de afdaling. Om van zijn zeuren af te zijn, verlaat Van Dis in Gulmit de postjeep: "Als reiziger heb ik iets van een hond. Ik snuffel en ga door. Ook al is de ontmoeting hartstochtelijk, ik zoek iets nieuws achter elke berg, de verten wenken. Niemand mag mij te na komen" (p. 94).

In de koude herberg waar hij een kamer huurt, voelt Van Dis zich voor het eerst alleen. Zijn eenzaamheid hangt vooral samen met de prangende vraag hoe hij ooit uit het desolate Gulmit wegkomt. De waard heeft hier een simpele oplossing voor: gewoon een vrachtwagen aanhouden. In de met belletjes uitgeruste cabine van dit beschilderde voertuig hervat Van Dis in stilte de tocht langs gletsjers, de Hunza-rivier en door de gelijknamige vallei. In Karimabad wijst de chauffeur hem de weg naar een klein hotel, dat hij na een beklimming van twee kilometer bereikt. In dit nederige doch gezellige onderkomen brengt hij de vijf laatste dagen van zijn reis door.

 

Bespreking

In bovenstaande samenvatting van Een barbaar in China; Een reis door Centraal-Azië is het reisverhaal in chronologische volgorde naverteld. Het boek zelf daarentegen kent een in-medias-res-compositie. Na het summiere voorwoord plaatst de schrijver de lezer namelijk meteen midden in het verhaal. Hoofdpersoon Van Dis, per bus onderweg van Turpan naar Kashgar, heeft er in het eerste hoofdstuk bereids vijfenzeventighonderd kilometer (p. 29) op zitten. In principe vormt deze busreis de derde etappe van zijn China-tocht. Van de ervaringen van de voorgaande etappes doet schrijver Van Dis echter pas kond in de twee daarop volgende hoofdstukken. Alles wat hij meemaakt na deze busreis van Turpan naar Kashgar komt in de laatste twee hoofdstukken aan de orde.

Gedurende de tocht heeft Van Dis het immense China met al zijn zintuigen benaderd. Hij geeft ogen en oren goed de kost, ruikt de specifieke geuren op de markten of de lijflucht van zijn reisgenoten, proeft menig inheemse maaltijd en drapeert ongewassen kleren of vuil beddengoed rond zijn lijf. De talrijke observaties, avonturen en gevoelens (zowel de vele ergernissen als de sporadische walging of de plotselinge verliefdheid) registreert hij nauwkeurig in de vijf hoofdstukken. Deze minutieuze vastlegging maakt Een barbaar in China; Een reis door Centraal-Azië tot een uiterst persoonlijk reisverslag, waar -in het eerste hoofdstuk- ook nog eens een paar fraaie stilistische hoogstandjes voorkomen, zoals "Ik heb mij als een pinguïn warm geklapt (...)" (p. 11), "(...) waar passagiers voor het een uur zandinwaarts gelegen Turpan moeten instappen" (p. 11) en "de hitte pookt het landschap op" (p. 15).

Gedurende de China-tocht komt Van Dis meermaals in aanvaring met officiële instanties, omdat zij voortdurend zijn plannen proberen te doorkruisen om het westen op eigen houtje te ontdekken. Het begint al in Shanghai, waar de China International Travel Service hem voor een VIP aanziet. Nadat hij zich met veel moeite heeft onttrokken aan de "verplichte bezoeken aan modelboerderijen, zingende kleuterscholen en ja-knikkende autoriteiten" (p. 15), blijft hij toch de nodige tegenwerking ondervinden. Zo wil het toeristenbureau hem geen adres van een zijderupsplantage verstrekken (p. 37); mag hij van de Tibetaanse tolk de Levende Boeddha niet bezoeken (p. 52); controleert een caissière een uur lang zijn paspoort en wisseltransactiepapieren (p. 57); beweert een agente van de Public Security Office dat het woestijnstadje Hami niet in China ligt (p. 58); weigert de gids hem een fiets (p. 16); wil een winkelierster hem geen trainingspak verkopen (p. 25-26) en beweert de agent aan de grenspost van Pirali dat zijn visum is verlopen (p. 89).

Is Van Dis in het begin nog geduldig tegen de dwarsliggende bureaucratie, na verloop van tijd neemt hij geen blad meer voor de mond. Hij verliest steeds sneller zijn beheersing en geeft steeds vaker zijn ongezouten mening "in dit land van telraamschuivers, boninvullers en sipkijkers. Want lachen doen ze nooit, de mannen en vrouwen achter balie of loket. Ze kijken alsof er meteen na hun geboorte iemand op hun neus is gaan staan en er sinds die misstap geen lach meer af kan. Ze schudden 'nee' als je 'ja' wilt zien, zetten je in de rij, laten je drie keer terugkomen en pas als je je vernedert, door begrip te tonen voor de dwaaste bureaucratie, door te grijnzen terwijl je liever de hand die het stempel weigert wil afbijten, pas dan komt de glimlach, maar dan sijpelt het bloed al uit je onderlip" (p. 57).

Staan de gezichten van de pennenlikkers altijd op onweer, de gewone man in de straat ligt om de haverklap in een deuk. Ze lachen om geblinddoekte dieven die op vrachtwagens worden weggevoerd (p. 38-39); om bedelkinderen die door treinpassagiers met voedsel worden gekogeld (p. 61); om een verongelukte meloenenvervoerder (p. 14); een verwonde verkeersagent (p. 14); een huilende boer naast zijn doodgereden varken (p. 14). Vooral andermans leed schijnen Chinezen erg vermakelijk te vinden. Aangezien Van Dis zich niet kan voorstellen dat oer-emoties zo verschillend zijn, vraagt hij zich af wat lachen in China nu werkelijk betekent (p. 14). Lachen ze uit verlegenheid, uit angst of is het een vorm van medeleven? Het antwoord op die vraag blijft hij zichzelf helaas schuldig.

Het veelvuldig lachen van de Chinezen is niet het enige wat Van Dis frappeert. Het valt hem ook op dat menig Chinees toenadering zoekt tot westerlingen. Regelmatig stellen nieuwsgierige mensen hem de meest uiteenlopende vragen. Zo willen nozems in de gokhal weten hoe duur zijn kleren zijn. Ook zijn zij geïnteresseerd in een songtekst van Michael Jackson (p. 43). Scholieren die hun vreemde talen met buitenlanders willen oefenen, zijn benieuwd naar het leven in Nederland (p. 46-47). De familie van Hussein heeft belangstelling voor de economische stand van zaken (p. 74), net als de Chinezen in de bus die vragen naar de Nederlandse prijs van een kameel of watermeloen (p. 15). En zelfs al rijdt Van Dis op een uniforme staatsfiets, toch wil men alles over dat specifieke rijwiel weten, louter en alleen omdat er een westerling op zit (p. 16). De inwoners van China slaan de waarschuwingen van de Engelstalige krant om de omgang met buitenlanders te mijden (p. 17) dan ook massaal in de wind.

Bij het contactleggen met de Chinezen vormt de taal vaak een onoverkomelijke barrière (p. 20-21). De voertaal is veelal Engels, want Van Dis heeft volgens eigen zeggen geen enkel talent voor het Chinees. Na drie weken kent hij slechts een paar uitdrukkingen die niet eens door iedere Chinees worden begrepen. Ook de opgeschreven karakters die hij zo nu en dan laat zien, maken weinig indruk. Door deze communicatieproblemen voelt Van Dis zich wel eens geïsoleerd: "(...) reizen in een vreemd gebied waar je de taal niet lezen of spreken kunt, maakt onzeker en eenzaam. En ook de Chinezen laten niets na om je nog vreemder te maken dan je al bent. Ze komen kijken hoe ik zit, hoe ik een appel eet, mijn tanden poets, ik voel mij een aap in Artis" (p. 60). Van Dis krijgt dan ook telkens de indruk dat ze hem "een rare man uit een raar land" vinden (p. 17). Dit idee een buitenstaander te zijn, is het belangrijkste thema van het boek.

 

Vragen

1) Verklaar het woord 'barbaar' uit de titel van Een barbaar in China; Een reis door Centraal-Azië. Staaf je antwoord met voorbeelden uit het boek.

2) Op pagina 70-71 bekent Van Dis dat hij zijn hart heeft verloren aan een gehavende Boeddha: "Hoewel ik, neuroot die ik ben, alleen maar van het hele houd, ervaar ik hier sterk de pracht van het kapotte." In welk boek van Van Dis heeft de hoofdpersoon ook een voorkeur voor alles wat ongeschonden is?

3) China is een republiek waar meerdere volkeren wonen. In Een barbaar in China; Een reis door Centraal-Azië passeren onder meer de Han-Chinezen, de Oeigoeren, de Tibetanen en de Hui de revue. Ga aan de hand van de gegevens uit dit reisverhaal na hoe de onderlinge verhoudingen tussen deze volkeren met hun verschillende geloofsovertuigingen zijn. Vergelijk vervolgens je bevindingen met feitenmateriaal uit secundaire bronnen. Zie je overeenkomsten of verschillen? Motiveer je antwoord.

4) In Een barbaar in China; Een reis door Centraal-Azië komt de Culturele Revolutie meermaals ter sprake. Ga na wanneer deze omwenteling plaatsvond. Achterhaal tevens wat er tijdens deze Culturele Revolutie gebeurde. Stemmen de feiten overeen met datgene wat Van Dis erover schrijft? Onderbouw je antwoord met voorbeelden.